Zoeken

Gastrointestinaal stelsel

Van mond tot kont, het gastro intestinaal stelsel. We stoppen van allerlei dingen in onze mond en het komt er op precies dezelfde manier weer uit, namelijk in faeces. Hoe kan het nu dat een pizza met deeg, saus, kaas en groenten er op precies dezelfde manier wordt afgebroken als een kom met yoghurt en fruit? We kennen geen machine die allerlei materialen verwerkt zodat er een identiek product uit komt. Oftewel het gastro intestinaal stelsel is hartstikke slim. Vandaag leg ik je uit wat er nu precies gebeurd van mond tot kont en hoe je dus altijd uitkomt op faeces.


Het begint allemaal in de mond waar de eerste processen plaatsvinden. Ken je het experiment van Pavlov nog waarbij honden al gingen kwijlen als ze een belletje hoorden omdat ze dit associeerden met het krijgen van eten? Zo werken wij ook wel een beetje. Zodra we aan eten denken of eten zien, stuurt ons brein een signaaltje naar de speekselklieren in de mond om speeksel aan te maken. De glandula parotis, gelegen net voor je oor, de glandula submandibularis, ligt aan beide kanten net onder de kaakrand en de glandula sublingualis liggen in de mondbodem en zijn onze speekselklieren. Zij produceren het speeksel dat in de mond terecht komt en het bestaat onder andere uit mucus, ander woord voor slijm, en amylase. De spijsvertering start al in de mond, want je tanden en kiezen gaan al hard aan de slag om de voedselbrokken fijn te malen. Vervolgens komen je speekselklieren aan bod en zorgt het amylase ervoor dat zetmeel wordt afgebroken naar glucose. Het mucus heeft als functie dat de net fijngemalen voedselbrokken soepel door de slokdarm naar de maag glijden.

De slokdarm, oftewel oesophagus, is de verbindingsroute van de mond naar de maag. Het is ongeveer 20-25 cm lang. Er zitten twee sluitspieren in de slokdarm die ervoor zorgen dat het voedsel van boven naar beneden gaat en niet andersom. Eentje zit bovenin de slokdarm die opengaat nadat je geslikt hebt en de tweede zit onderin de slokdarm net boven de maag die uiteraard ook open gaat als er voedsel aankomt. Maar die sluitspier zorgt er ook voor dat je maagzuur niet zomaar terug kan stromen naar de slokdarm, want daar is de binnenkant van de slokdarm niet voor gemaakt. De slokdarm bestaat uit plaveiselcelepitheel en vanaf de maag gaat dit over in cilindrisch epitheel. Die overgang wordt de Z-lijn genoemd. De slokdarm bestaat uit circulaire spieren en longitudinale spieren die ervoor zorgen dat er een peristaltische beweging mogelijk kan worden gemaakt. Het bovenste ⅓ deel bestaat uit dwarsgestreept spierweefsel, het onderste ⅓ deel bestaat uit glad spierweefsel en dit komt samen voor in het middelste ⅓ deel. Op deze manier worden de voedselbrokken naast de zwaartekracht middels peristaltiek naar de maag geleid.


De maag is een grote zak die onder het diafragma ligt aan de linker kant. De wetenschap heeft de maag opgedeeld in 5 regio’s. De cardia is de maagingang, de overgang van de slokdarm naar de maag. De fundus gastricus is de koepel van de maag waar vaak de ingeslikte gassen worden verzameld. Het onderste deelte van de maag wordt het corpus gastricum genoemd en het eindigt in de pylorus, de maaguitgang. Het deel net voor de pylorus noemen we het antrum. De binnenkant van de maag bestaat uit slijmvlies en grote plooien waarin de verschillende maagklieren liggen. Die plooien kunnen verstrijken waardoor de maag in staat is om zichzelf behoorlijk uit te rekken. De spierlaag zorgt vervolgens voor het samentrekken en ontspannen van de maag wat je kunt beschouwen als peristaltische bewegingen. De maag scheidt verschillende stofjes uit in de maagsappen. De mucuscellen van de maag zorgen ervoor dat het slijmvlies wordt bedekt met een slijmlaag, zodat de maagcellen worden beschermd tegen het maagzuur. De pariëtale cellen in de maag scheiden H+ en Cl- uit waardoor er HCl, zoutzuur, wordt gevormd in de maagsap en dit zorgt voor een zure maagsap met een pH van 1.5 tot 3.5. Het zure maagsap zorgt ervoor dat het voedsel wordt afgebroken in kleinere delen, dat de eiwitten denatureren en ze doden de bacteriën. Pepsinogeen wordt uitgescheiden in de maag, dit is nog een inactief enzym. Door het zure milieu wordt het pepsinogeen omgezet in pepsine, een enzym dat eiwitten afbreekt. In de maag wordt er ook al begonnen met de vetvertering door het uitscheiden van bepaalde lipasen. Die pariëtale cellen die H+ en Cl- uitgescheiden, produceren ook de intrinsic factor. Dit bindt aan vitamine B12 en is essentieel om vitamine B12 vervolgens later in je darmen goed te absorberen. De G-cellen bij de uitgang van de maag produceren het hormoon gastrine en somatostatine. Gastrine gaat niet de maag in, maar gaat via de bloedsomloop naar de maagklieren en stimuleert de aanmaak van maagsappen. Somatostatine heeft invloed op verschillende onderdelen van het gastrointestinaal stelsel en eigenlijk kun je zeggen dat somatostatine ervoor zorgt dat de vertering van het voedsel wordt verminderd en de defecatie wordt gestimuleerd. Zo zorgt het ervoor dat de gastrinesecretie wordt geïnhibeerd. De excretie van endocriene en exocriene pancreassappen wordt ook geïnhibeerd. Terwijl er in de darmen een verhoogde vochtabsorptie is en stimulatie van gladde spiercellen. Ghreline is onze vriend en vijand. Ghreline wordt namelijk vrijgezet als de maag leeg begint te raken. Vervolgens stimuleert het de maagzuursecretie en de spierlagen in de maag en begint je maag te knorren. Je maag bereidt zich volledig voor op voedsel en je krijgt een hongergevoel. Het tegenovergestelde hormoon is leptine, het verzadigingshormoon. Het wordt vooral aangemaakt in de witte vetcellen, maar je vindt de productie ook terug in de maag. De pylorus, de maaguitgang, is een dikke spierlaag en zorgt ervoor dat er elke keer kleine beetjes voedsel wordt doorgelaten. Dit wordt geregeld door het duodenum, zodra de weg weer vrij is wordt de pylorus gestimuleerd om weer een beetje voeding door te laten. In de maag wordt onder andere water, alcohol en medicatie geabsorbeerd.


En dan komt de voeding in het duodenum en is het erg belangrijk dat die zure voedselresten worden geneutraliseerd, anders beschadigt het de darmwand. Zodra de pH daalt in het duodenum wordt secretine geproduceerd. Het stimuleert de pancreas om bicarbonaat te produceren zodat het direct wordt geneutraliseerd. En het remt tegelijkertijd de zuursecretie van de maag. De pancreas produceert daarnaast het amylase, wat de koolhydraten afbreekt, lipase, wat de vetten afbreekt, en trypsine, wat de eiwitten afbreekt. Deze afgebroken macronutriënten worden vervolgens in het jejunum en ileum geabsorbeerd. Via de ductus choledochus komt er gal door de papil van Vater bij de voedselbrij. De vetten in de voedselbrij worden geëmulgeerd in galzouten en er ontstaan micellen. Op die manier zijn de vetten veel makkelijker verteerbaar voor het lichaam. Ook het duodenum maakt verschillende hormonen aan. Allereerst wordt er cholecystokinine, oftewel CCK, geproduceerd dat zorgt voor goede vertering van de voedselbrij. Het stimuleert de pancreas en de galbaas en het remt juist de maaglediging zodat alles stap voor stap kan worden verteert. Daarnaast stuurt het een signaal naar de hersenen om door te geven dat je verzadigd bent. Er wordt ook lactase geproduceerd in de dunne darm, die zoals de naam het al zegt, lactose afbreekt. Als baby heb je een hoge productie van lactase, omdat het natuurlijk de bedoeling is dat de moedermelk goed wordt afgebroken. Naarmate je ouder wordt, kan die lactase productie fors afnemen en krijgt je lichaam het zwaar om melkproducten af te breken. De welbekende en ook vaak voorkomende lactose intolerantie. Maar goed, even terug naar die dunne darm. In totaal is de dunne darm meer dan 5 meter lang en bestaat het dus uit de net besproken duodenum, jejunum en ileum. De binnenkant van de dunne darm bestaat uit darmvlokken, de vili. Hierdoor ontstaan er een immens groot oppervlak voor de absorptie van voedingsstoffen. Het hoofddoel van je dunne darm is het absorberen van allerlei voedingsstoffen, vitaminen en mineralen. Het eerder benoemde vitamine B12 wordt alleen in combinatie met de intrisic factor opgenomen aan het einde van je ileum. Je darmen hebben een compleet eigen brein die ervoor zorgt dat hormonen worden geproduceerd en inspelen op een ander deel van het darmstelsel. Maar het stuurt ook de peristaltiek aan waardoor de voedingsresten naar distaal worden bewogen. Zodra er voedsel aankomt in het duodenum, wordt daar de wand wat uitgerekt en gaan er allerlei signalen af die ervoor zorgt dat de peristaltiek vol aan wordt gezet. Zo zullen heel veel mensen naar het toilet moeten net nadat ze hebben gegeten, omdat het motortje wordt aangezet maar dan moet er eerst wel even wat geloosd worden. Tijdens de vast periodes, zoals bijvoorbeeld ‘s nachts, heeft je lichaam het migrerend motorisch complex bedacht. Dit is een cyclus die 90 tot 120 minuten duurt met peristaltische bewegingen en rust van de darmen. De darm wordt schoongeveegd en dit zorgt er ook voor dat bacteriën niet de kans krijgen om zich ergens vast te bijten en te groeien, de bacteriële overgroei.

Helemaal aan het einde van het ileum, als we meters verder zijn, kom je aan bij de klep van Bauhin. De overgang van de dunne darm naar de dikke darm, het colon. Ga je linksaf dan sla je een doodlopende weg in die het coecum wordt genoemd. Daarachter verstopt zit de appendix. Sla je rechtsaf dan ga je richting de uitgang. Eerst gaat het colon naar de leverhoek, dit deel wordt het colon ascendens genoemd. Vervolgens gaat het overdwars naar de milthoek, dit deel wordt het colon transversum genoemd. Dan daalt het colon af richting het klein bekken wat we het colon descendens noemen. In het kleine bekken kronkelt het richting de uitgang, het sigmoid. En het eindigt in het kanaal richting de anus, het rectum. De buitenkant van het colon wordt getypeerd door de zogenaamde tenia en haustra. Dit wordt gevormd door de verschillende spierlagen die zorgen voor de peristaltische bewegingen. Het zijn een soort plooien die de darm langs de buitenzijde om de paar centimeter lijkt in te snoeren. De binnenkant van het colon bevat geen vili, maar de crypten van Lieberkuhn. In die crypten vind je slijmbekercellen die grote hoeveelheden slijm en bicarbonaat kunnen maken. Als eerste wordt ook hier de binnenzijde van het colon beschermt door slijm, daarnaast is het een goed kleefmiddel voor de ontlasting. Het bicarbonaat zorgt ervoor dat het zure milieu dat ontstaat bij afbraak van producten wordt geneutraliseerd. De rol van het colon is het absorberen van water en elektrolyten. Zo ontstaat de faeces die wij kennen. Daarnaast vind je in het colon heel veel bacteriën terug. Zij helpen jou bijvoorbeeld bij het metaboliseren van vezels of bij de productie van thiamine of vitamine K. Ook zorgt deze darmflora ervoor dat pathogene bacteriën buiten worden gehouden. Ontlasting kan een tijdje worden opgeslagen in het rectum en sigmoid doordat er sfincters zijn. Er is een onwillekeurige interne sfincter en een willekeurige externe sfincter. Ze moeten beiden ontspannen voor je kan overgaan op defecatie.


Bronnen:

- Compendium Geneeskunde 2.0 Romée Snijders & Veerle Smit > Klik hier voor de boeken en pockets

Gerelateerde posts

Alles weergeven

Leer de stolling: de primaire hemostase, de intrinsieke en de extrinsieke stollingscascade.

Weet jij wat je moet doen bij een hitte beroerte? Is dit hetzelfde als een hitte uitputting. Leer er alles over.

Vorige week hebben we de anatomie en fysiologie van de longen besproken. Dan wordt het natuurlijk tijd om ons te verdiepen in het lichamelij